Printvriendelijke versiePDFAAArss

oorsprong van straatnamen

Straatbenaming is administratief noodzakelijk om te kunnen vaststellen waar iemand woonachtig is, om de bevolkingsregisters bij te houden. Maar meer dan eens wordt de vraag gesteld: waarom die naam? Wat is de betekenis van die naam? Sinds wanneer wordt die gebruikt? Het is dan ook de bedoeling in de mate van het mogelijke daaraan te voldoen, de voorkeur gevend aan een chronologische volgorde naargelang zij bewoond werden en derhalve in de bevolkingsregisters voorkomen, vanaf de volkstelling van 1808.

Straatnamen voor 1880

Tijdens de Franse Revolutie, meer bepaald in 1794, had een volkstelling plaats en werden de inwoners geboekt volgens de toenmalige straten als volgt: (in deze bijdrage alfabetisch gerangschikt; het jaartal tussen haakjes verwijst naar de oorsprong, gevolgd door de toenmalige benaming en schrijfwijze).

ARISDONK: (1333 - Hardinex-, Hardinsdonc): Droge verhevenheid boven het omliggend moerassig gebied, genaamd naar een eertijdse grootgrondbezitter of heer.

BAETSDREEF: Ongetwijfeld een patroniem, een naam afgeleid van een toenmalig eigenaar (cf. hierboven).

BEIRTJEN: (1376 - Bertenbrughe): Ook hier wordt over het algemeen gewag gemaakt van een patroniem of naamafleiding, wat niet wegneemt dat een draaibare houten, zijnde een “bertlen” voetgangersbrugje naast het wad of doorwaadbare plaats aldaar door de Lieve, ook aanleiding kan geweest zijn.

BEKE: (1241 - Becca): Gehucht aan de beek, die later de bevaarbare Lieve zou worden.

BERG: (1338 - beersch - beerch, achteraf onderverdeeld in “leegen” en “hoogenbergh”) Ingevolge het feit dat deze wijk de hoogstgelegen is van de gemeente, nl. 10 meter boven de zeespiegel.

BOS: (1425 - Hoevelt, zijnde “kwaadveld”): Dankt zijn naam aan de toenmalige omgeving. Voor de gemeente Zomergem noemt deze gemeenschappelijke baan “Bosstraat”.

BOSSTRAAT: (1418 - Boschstraete - aanvankelijk - 1397 - “Moervoorde”: doorwaadbare plaats door de moeren): Straat naar of doorheen het bosrijk gebied in het noorden.

DAASDONK: (1358 - daesdonc): Vermoedelijk van “de haasdonk”, als de donk (cf. Arisdonk) waar de hazen talrijk waren. Deze donk strekte zich immers uit tot aan de Maat. Vooraleer de verdere straatbenamingen te belichten, wens ik nog even terug te keren op de benaming “Daasdonk”, voor welke uiteenzetting ik “vermoedelijk” plaatste. Het is inderdaad zo dat hieromtrent meerdere mogelijkheden bestaan, zelfs een kordate negatieve. Het is zeker dat totnogtoe geen duidelijke verklaring voorhanden is. Soms wordt beweerd dat de benaming afkomstig is van een patroniem en diensvolgens afgeleid van een persoonsnaam, en derhalve kan te maken hebben met Arisdonk; wat nogal ver schijnt gezocht te zijn. Anderzijds staat het ook vast dat het niets te maken heeft met “dwaas” noch “daas” (soort lastige, platte, langwerpige, zwarte vlieg wiens venijnige steek zowel door mens als dier wordt geschuwd). Speurende naar de analoge benaming der gemeente Haasdonk (in 1150 Havexdunc) zijnde de samenvoeging van “havik?” en “donk” werd dan de vermoedelijke samenvoeging “haas” en “donk” verondersteld. Het is nu aan de specialisten ter zake, die momenteel de plaatselijke toponiemen onder de loep nemen om uit te knobbelen welke de juiste betekenis is. Bij de hernieuwing van de bevolkingsregisters in 1808 kwamen “twee” nieuwe straatbenamingen in gebruik, nieuw in die zin dat deze omgevingen pas sinds dan bewoond werden, ondanks het feit dat zij reeds eeuwen als omgevingsbenamingen bestonden.

DAM: (1448 - dam jeghens de Moere, ook wel nieuwendam): Weg vanaf de Kere, die oorspronkelijk als een verhoogde weg doorheen het noordelijk beboste en waterziek gebied van de gemeente liep, als verbinding met Eeklo.

HOEKJE: (1447 - Driesch, later Verkensmerkt - 17de eeuw: Hoexken): Op het einde van de toenmalige Kerkstraat was er nog geen linkerdoorsteek, zodat de inwoners dààr werkelijk op de “hoek van de kerckstraet” woonden. Later breidde zich dat uit over gans de verdere omgeving.

JAGERPAD: (1338 - Jaegherpaede): Weg door de jagers gebruikt, via dewelke het uitgestrekt jachtterrein in het noorden van de gemeente werd bereikt. Sommigen zijn van mening dat, waar de monniken van het O.L.Vrouw-ten-Hoveklooster bij grafelijk besluit vrijgesteld werden de jachthonden te onderhouden, teneinde de rust in het klooster te vrijwaren, er aan het begin van de toegangsweg een paal werd aangebracht, aangevende tot waar de jagers slechts mochten komen. Met als gevolg de vermoedelijke oorsprong van de nog in de volksmond liggende benaming “Jagerpale”. Naam die trouwens voorkomt op een kaart met omliggende kloostereigendommen. Het aangehaald grafelijk besluit is echter van veel latere datum dan 1338.

KEERSTRAATJE: (naer den leegenbergh) werd bedoeld met de verbinding van de Kere naar de Berg, vandaar de benaming vanaf 1808.

KERE: (1346 - Keere): Ommekeer van de straat, door ombuiging naar het westen.

KERKSTRAAT: (1485 - Kercstraete): Het is duidelijk dat de kerk hier centraal staat i.v.m. de naamgeving, zowel letterlijk (ze staat er middenin) als figuurlijk. De “kercstraete” besloeg immers het ganse centrum en begon aanvankelijk aan Beke en eindigde aan de Kere, enerzijds, en vanaf de kerk tot aan de dries (begin Oostmoer) anderzijds. Deze situatie hield aan tot 1880, toen afzonderlijke namen gegeven werden. Maar daarover méér en uitvoeriger ten gepaste tijde.

KOUDEKEUKEN: (1538 - Cauder Kueckene) Ook hier berust een misverstand omtrent de vermoedelijke oorsprong. De ene bron maakt gewag van het feit dat de monniken na de terugtrekking in hun toevluchtsoord te Gent in de tweede helft van de 17de eeuw, hun landerijen nog regelmatig kwamen uitbaten, hun eten uit Gent meebrachten en het hier tijdens de werkzaamheden koud verorberden. Uitgaande van die thesis zou de benaming pas in de 17de eeuw ontstaan zijn, terwijl hij reeds sinds een paar eeuwen voordien voorkwam. Het zou aanvaardbaarder overkomen, moest de “koude-spijzenverorbering” geplaatst worden bij de ontginningswerken tijdens hun verblijfsperiode in het klooster O.-L.-Vrouw-ten-Hove. Volgens een andere bron moet de naam meer in verband gebracht worden met het kille klimaat in de afgelegen ligging.

LEEST: (1571 - van Leest naar Beke): Naar de naam van de herberg “In de leest”, ontegensprekelijk uitgebaat door een schoenmaker. Het dubbel beroep van herbergier met een andere, meestal vrije bedrijvigheid, was zeer gebruikelijk.

OOSTMOER: (1339 - Oestmour): Genaamd naar de plaatselijke omgeving: de moeren of veenmoerassen in het oostelijk deel van de parochie.

RENNING: (1414 renninc gracht - 1432 reynighi). Ook hier zijn de meningen verdeeld. Volgens een eerste standpunt zou de benaming afkomstig zijn van runne in de betekenis van “land aan een waterloop” (nabijheid van de Lieve?). Volgens een andere mening is het een oude benaming waarmee eertijds de plaats aangeduid werd waar de renne stond of was. Immers, naar een oudgermaans volksrecht mocht iedereen loslopend en al dan niet schade aanbrengende dieren (vee) vangen en deze zelfs voorlopig opsluiten, om ze aan de eigenaar terug te bezorgen of ter zijner beschikking te stellen mits een billijke vergoeding voor de aangerichte schade. Dat noemde men “schutrecht”. Later kwam de baljuw tussen in geval van betwisting of bedrieglijke verberging (= diefstal). Gedurende het Bourgondisch tijdperk werd dat recht beperkt tot het oprichten van parochiale schutbochten of rennen met een officiële schutter of prater (weideopzichter). In ieder geval moest het schutrecht en schade betaald worden. Dergelijke renne bestond op de huidige wijk Renning.

STUIVER: (1690 - Stuyver): Volgens de ene bron is de benaming afkomstig van “zandopstuivingen in het schraal en bosachtig gebied”, waarbij in vraag kan gesteld worden waarom er dan een der eerste landbouwontginningen ontstond. Volgens een andere, meer aanvaardbare bron zou de herberg “Den letsten stuyver” de oorsprong zijn van de naamgeving.

VOORDE: (1448 - Voerde): Een wad of doorwaadbare plaats doorheen een stroom of rivier (cf Beirtjen). Pas in 1550 was eerst sprake van “Lege” of eerstliggende en in 1598 van “ooge”, de hogerop of verder gelegen voord.

WESTSTRAAT: (1345 - Weststraete): Verbindingsweg met de moederparochie Zomergem, in westelijke richting, doorheen de westelijke moeren.

WITTEMOER: (1418): Over de oorsprong van die plaatsbenaming zijn er twee meningen, die beiden evenwel op hetzelfde steunen en te maken heeft met de uitbating van het gebied, nl. het steken van turf (onder afsluiting van de lucht vergane plantendelen, veen geworden en dienstig als brandstof). Enerzijds wordt gewag gemaakt van het feit dat iedereen er zijn voorraad turf mocht steken, als het ware in de “wilde” en aan niemand gebonden moeren. Die moeren lagen echter in het westen van de gemeente. Anderzijds waren er volgens De Flou twee soorten turf, naargelang de vergane planten: donkere en bleke, dus zwarte en witte turf. En in die oostelijke moeren schijnt overwegend bleke, zijnde witte turf voorhanden geweest te zijn.

Ondanks het feit dat nog andere oude straatbenamingen voorkomen in administratieve bescheiden, duurde het toch nog tot na 1880 vooraleer deze in de bevolkingsregisters gebruikt worden, omdat zij voordien niet bewoond werden. Zij worden dan ook, zoals eerder bepaald, ten gepaste tijde aangehaald in chronologische volgorde volgens hun eerste gebruik in de bevolkingsboeken. Ondertussen werden echter ook nieuwe namen ingevoerd, zowel van nieuwe straten of als gevolg van naamsverandering. Zo werd de gaffelvormige Kerkstraat in 1880 tot haar hedendaagse indeling gebracht. Nadat zij reeds ingekort was met het Renning-gedeelte, meende de gemeenteraad dat de toestand nog aanleiding gaf tot verwarring en besloot op 24 juli van dat jaar “tot een verbetering vooraleer over te gaan tot de volkstelling van 31 december“. Voortaan zou de Kerkstraat eindigen aan de dorpsplaat en “deze laatste zal alleen vervatten de huizen zich in den kom van de gemeente bevindende”. Waarom de overige gedeelten hun nieuwe benaming kregen, en juist déze, werd niet vermeld, doch ze zijn vanzelfsprekend:

SCHOOLSTRAAT: zijnde het gedeelte tot aan het Jagerpad, omwille van het feit dat er, of toch in de nabijheid, al de plaatselijke onderwijsinrichtingen gevestigd waren en nog zijn.

STATIESTRAAT: (vele decennia later tot de juiste schrijfwijze STATIONSSTRAAT gebracht) ingevolge de aanleg van de spoorweg en oprichting van een stationsgebouw in 1861 aan het einde van het gedeelte der Kerkstraat aldaar. Om dezelfde reden werd de open ruimte voor het gebouw de STATIEPLAATS genoemd, later aangepast tot STATIONSPLEIN.

BELLEBARGIE: (1639) schijnt deze voor het eerst bewoond te zijn rond 1890. Algemeen wordt aangenomen dat tot daar de bel kon gehoord worden tot het oproepen voor het laden en/of lossen van een bargie (= trekschuit) op de Burggravenstroom.

Straatnamen na 1880

In de nieuwe registers, periode 1900-1910 werden volgende vier benamingen voor de eerste maal ingeschreven:

ACHTERSTRAAT: Aangezien er reeds gebouwd werd langsheen het er bestaande niet-openbare wegeltje, had de gemeenteraad besloten er een weg aan te leggen en besliste nadien dat “deze straat gelegen achter de Statiestraat voortaan de Achterstraat zal noemen”. Meteen werd een Verbindingsstraat tussen beide straten voorzien en er de logische benamingen NIEUW(E)STRAAT aan gegeven. Deze laatste werd echter pas bewoond sinds 1910, na oprichting van de rijwoningen aldaar. Wanneer precies de naamsverandering plaatsvond is niet te bepalen. In de notulen van de raad werd daaromtrent geen beslissing gevonden, maar zeker voor 1947 werd de Achterstraat gewijzigd in NIJVERHEIDSTRAAT omdat de straat begon aan de in 1922 gebouwde nijverheidschool en eindigde in de nabijheid van de SAW-textielfabriek.

METAALSTRAAT: (1566 tmottalen straetkin). Deze benaming heeft niets te zien met het er in voorkomend materiaal, maar schijnt afkomstig te zijn van een middeleeuws patroniem, nl. de persoonsnaam “Matte Harens”. Door de eeuwen heen werd de schrijfwijze anders voorgesteld van “Matharens straetkin” via “tmottalen straetkin” tot later uiteindelijk “Metaillestraetje”. De vertaling ervan gaf de doorslag tot de hedendaagse benaming.

SINTE-ZUSTERSTRAAT: (1693 Vincent de Suttersstraetkin) Deze destijdse voetwegel richting Sleidinge werd over “Sent de Sutterstraetje” volks etymologisch, zijnde door woordafleiding (zoals de Metaalstraat) vervormd tot “Sinte-Zusterstraat”. Deze benaming werd behouden tot 1952, toen hij gewijzigd werd in MOLENSTRAAT als herinnering aan de Dinnewethwindmolen, laatst eigendom van Alfons Gernaey, afgebroken in 1925.

EIKELSTRAAT: (Eeckelkens) heeft ook een zeer oude oorsprong. Zij was niet alleen de verbinding tussen Oostmoer en Hoekje, maar tevens de oostelijke begrenzing van de plaatselijke dries (1447 anden driesch) waarop in het midden een linde stond en omzoomd was met eikebomen, oorsprong van de huidige benaming.

Bepaalde benamingen bewijzen hoe kort de afstand was, tot bij de jongste eeuwwisseling, tussen de open velden en de dorpsplaats, vooral langs de noordelijke en zuidelijke kanten. In 1910 werd aan de lijst der straatnamen VELDSTRAAT toegevoegd, als de weg vanaf het centrum naar de amper op een paar honderd meter er vandaan liggende open velden.

Omstreeks 1925 werden door de plaatselijke maatschappij voor huisvesting bouwwerken aangevat ter oprichting van sociale woningen op verscheidene plaatsen binnen de gemeente, sommigen langsheen bestaande straten, drie anderen op nieuwe bouwterreinen. Zij resulteerden in eventueel tuinwijken of groeperingen van gelijke woningen en diensvolgens in evenveel nieuwe straatbenamingen, nl. OOSTMOER-TUINWIJK, RENNING-TUINWIJK en BEKE-TUINWIJK, naamgevingen die geen verdere uitleg vergen.

Gedurende de periode van 1930-48 werd Oostmoer-Tuinwijk veranderd in TUINWIJK J. DE CRAENE uit erkentelijkheid aan deze gemeentesecretaris die de stuwkracht was geweest tot het bouwen in 1925 van de sociale woningen. Welke ook de reden ervan moge zijn, maar in 1961 verdween die benaming en werd de oorspronkelijke in eer hersteld.

De dertiger jaren gaven een gamma van nieuwe straatbenamingen, niet alleen van bestaande straten of omwille van het bouwen gedurende het decennium van het interbellum, maar tevens als gevolg van de rechttrekking van de staatsbaan vanaf de gemeentegrens met Lovendegem tot de Dam.

ZOUTWEG: (1307 an den zoutwech - reeds in 1285 werd een zoutweghe vernoemd “inter adenghem, wenswincle et warscot” maar dat betrof een voetweg doorheen de Westmoer). Ook in de oostelijke moeren werd aan zoutwinning gedaan, vandaar de zeer oude verkeersweg, vereeuwigd met die benaming. In werkelijkheid had Waarschoot destijds twee dergelijke wegen. “Zoutweg” betekent in de letterlijke zin van het woord: “handelsweg voor zout”. Dit was dan ook de reden waarom deze naam gehecht werd aan deze straat vanaf het Hoekje tot aan de Koudekeuken, nabij de grens met Lembeke. Deze werd reeds vernoemd in 1307 als “oude zoutweg”, met een vermoeden dat de zoutwinning reeds tot het verleden behoorde, waarlangs ook turf vervoerd werd via de ontginningsweg en de Antwerpse heerweg naar Eeklo. De vraag kan evenwel gesteld worden hoe hier zout kon ontgonnen worden, en dan nog in grote mate. Honderdduizenden jaren terug was een overgroot gedeelte van het huidige West-Europa overspoeld door de zee. Menige klimaatwisselingen hadden in de loop der tijden plaats, met transgressies (oprukken) en regressies (terugtrekken) van de zee tot gevolg. Tot ongeveer 18000 jaar geleden de (voorlopig) laatste ijstijd eindigde en de zeespiegel in de Noordzee omstreeks het begin van onze jaarrekening zich normaliseerde. Met het gevolg dat zeewater op lagergelegen gronden zonder afvloeiingsmogelijkheden achterbleef: het ontstaan van (zout)moeren en venen, waarin zich zoutafzetting voordeed. Deze ontstond door indamping van het zeewater en achteraf door o.a. verzakkingen en andere bodembewegingen. Het natte Waarschoot had twee dergelijke belangrijke moeren, nl. één in het Oosten (Oostmoer) en één in het Westen (de Westmoer, nu Het Leen) in welke beiden reeds gedurende de 13de eeuw – de Middeleeuwen – aan zoutwinning werd gedaan. Derhalve was er ook in het tweede ontginningsgebied een zoutweg, die reeds in 1285 vermeld werd als zoutweghe inter andeghem (Adegem), wenswincle (Oostwinkel) et warscote (Waarschoot). Dwars door dit moergebied liep er immers een voetweg van Ten Breebroek (nu Van Ginderachter) via Goed ten Brakel (nu W. De Wulf) naar de Pokmoer (zie A. De Vos, Geschiedenis van Waarschoot, deel 1 pg. 18). Deze weg wordt heden ten dage nog gebruikt, zij het min of meer in gewijzigd traject, door fietsers en wandelaars om Het Leen op een rustige manier te bereiken via de Stuiver. Wijlen heemkundige R. Dauw beklemtoonde evenwel dat deze westelijke zoutweg een zeer oude, wagenbrede aarden verbindingsweg was, reeds vóór 1240, tussen de Pokmoer te Eeklo en Zomergem, Stoktevijver, doch via Waarschoot op Beke aansluiting gevend op de “oude Gentweg”, thans de staatsbaan N9 (zie bijdragen Heemkundig Erfgoed nr 30/1995 p. 26). Vanaf de Stuiver liep hij immers rechtlijnig door via het Sompelstraatje (tot na de tweede wereldoorlog nog in gebruik) langsheen het Goed te Zoetendale (nu F. Standaert) tot aan het Hof Rapenburg (Bos, E. Verschelde) om, de grensstraat Waarschoot-Zomergem volgend, verderop de hierboven aangehaalde aansluiting te verwezenlijken. In het landboek van 1798 werd hij aangeduid als de “Eekloosche voetweg”, wellicht de oudste verbinding tussen Eeklo en Gent. In de atlas van de buurtwegen van 1841 werd hij evenwel niet opgenomen, theoretisch toen reeds afgeschaft zijnde.

PATRONAGIESTRAAT: Was oorspronkelijk voetweg 25 vanaf de huidige Schoolstraat tot midden het Jagerpad. Door stelselmatige bebouwing er langsheen werd het door breedtebepalingen en verhardingen een volwaardige straat, en omdat de in 1872 voltooide patronage van de Congregatie der HH Engelen er stond, was een passende naam vlug gevonden.

BOVENMEERS: Deze toponiem of plaatsbenaming van een eertijds hoger gelegen meer tussen Hoekje en Oostmoer werd passend gevonden voor de straat met sociale woningen vlakbij de hoogste velden en meersen van het centrum (vergelijk met Veldstraat).

KOUTERWEG: spreekt eveneens voor zichzelf: de weg naar kouters, zijnde open akkerlanden die samenvallen met droge gronden.

HOVINGEN: volgt het oorspronkelijk tracé van voetwegel 27, die tussen de achtertuinen van de Stationsstraat enerzijds en van de Kouterweg anderzijds gelegen was vanaf de Metaalstraat tot aan de weg naar Sleidinge, zodat de naam een passende herinnering is aan de vroegere toestand.

Resten voor die periode GUIDO GEZELLELAAN, H. CONSCIENCELAAN, HUGO VERRIESTLAAN, LEEUW VAN VLAANDERENLAAN en GULDENSPORENWIJK, met welke benamingen, die geen verdere uitleg vergen, de destijds raadsleden in een literaire opwelling hulde hebben willen brengen aan grote Vlaamse schrijvers. Ondanks het feit dat zulks waarschijnlijk juist is kan de vraag gesteld worden naar het “waarom?”. Toevallige ontdekkingen bij het doorsnuffelen der notulen van gemeenteraad en schepencollege hebben daarop een antwoord gegeven. Op 26 september 1930 besliste het schepencollege aan een aantal nieuwe straten en wijken een naam te geven, o.a. “Hugo Verriestlaan aan de straat verbindende het Jagerpad naar de Patronagiestraat” en “Guldensporenlaan, voor de huizen in de Achterstraat, gebouwd door ’t Getrouwe Maldegem”. Ondanks het feit dat geen reden werd opgegeven, moet niet getwijfeld worden aan de intentie: de vlaamse ingesteldheid van initiatiefnemer dezer woningen, met name De Lille uit Maldegem. Voor de eerstgenoemde laan kan het aangezien worden als postume hulde aan de priester-schrijver, leerling van Guido Gezelle en leraar van Albrecht Rodenbach, ter gelegenheid van zijn negenste geboorteverjaardag (Deerlijk 1930). Wat de Guido Gezellelaan betreft kan evenmin getwijfeld worden: op 9 april 1930 trof het schepencollege een eenparig besluit “ter gelegenheid van de honderdste verjaardag der geboorte van Vlaanderens grootsten dichter Guide Gezelle dezes naam te geven aan de nieuwe baan van de Jagerpad naar de Dam”. Voor de Hendrik Consciencelaan en Leeuw van Vlaanderenlaan kon geen besluit worden gevonden wat specifiek de straatbenaming betreft. Wel mag het worden afgeleid van een feit en beslissing rond die tijd. In september 1936 werd met de rechttrekking van de rijksweg begonnen, vanaf de gemeentegrens met Lovendegem tot de Kere, en in juni 1937 werd het nieuw traject voor het verkeer opengesteld. Gedurende de gemeenteraadszitting van 16 maart 1938 nam, op voorstel van raadslid Roegiers, de rad “akte van het feit dat in 1838, dus 100 jaar geleden, de eerste uitgave verscheen van “De Leeuw van Vlaanderen”, de historische roman waarmede de opgang van het Vlaamsche volk inzette. Oordeelt dat deze gelegenheid moet aangepakt worden ten eerste om het Consciencefiguur op doelmatige wijze te herdenken, ten tweede om het lezen van goede lectuur te bevorderen onder de bevolking en aldus de schoonste en meest gewaardeerde hulde te brengen aan hem getuigd wordt. Hij leerde zijn volk lezen”. “Draagt het schepencollege op machtiging te verlenen aan de gemeentelijke feestcommissie een programma uit te werken, waardig aan die gebeurtenissen.” En kon er iets waardiger geschieden dan zijn naam verlenen aan nieuwe straten? Of heeft de opkomst van de nieuwe partij “De Vlaamsche Nationalisten”, die voor de eerste maal aan de gemeenteraadsverkiezingen dat jaar zou deelnemen (wegens een volledige mislukking bleef het bij die enige keer) het Vlaams bewustzijn nog eventjes laten opborrelen? Niemand kan dat nog bevestigen of ontkennen.

De na-oorlogse bouwnoodzakelijkheid, zowel door privé-initiatief als ten gevolge van de sociale woningbouw door de Nationale Maatschappij voor Huisvesting, had de aanleg van nieuwe straten tot gevolg. Zo werd op Beke het vrijgekomen terrain van de geloopte weverij Lousbergs ingenomen voor het oprichten van sociale woningen. Het lag dan ook voor de hand dat er, ter herinnering aan deze gewezen arbeidsplaats, er een straat naar genoemd werd, nl. de LOUSBERGLAAN.

Aan de baan langsheen de Lieve werd de naam TREKWEG gegeven: de barken die eertijds het kanaal op- en afvoeren werden immers voortgetrokken door mens en/of dier, die daardoor een trekpad of een jaagpad langsheen de waterloop gebruikten.

Door de destijdse C.O.O. warden anderzijds achter de Patronagiestraat huisjes opgericht, bestemd voor de ouden van dagen. Aangezien, volgens overlevering, eertijds de grond van het daartoe bestemde terrein werd gebruikt voor het vervaardigen van bakstenen dienstig voor het bouwen van de patronagie, werd de naam STEENAKKER als vanzelfsprekend geacht.

De periode van 1961 tot 1970 was rijk aan nieuwe straatnamen:
AKKERSTRAAT: de ruggegraat van de nieuwe sociale wijk op de akkers tussen Oostmoer en Hoekje, aangevangen omstreeks 1965.

LINDESTRAAT: als gevolg van de linden in de buurt, naast de vroegere herberg “Kasteelken”.

AZALEASTRAAT: omwille van de eertijdse bloemisterij op die plaats. Om analoge redenen kwamen de hiernavolgende straatbenamingen tot stand.

NOTELAARSTRAAT: op de hoek stond altijd, zoals trouwens weer, een notelaar.

SPARRENSTRAAT: omwille van het destijdse sparrenbosje ter plaatse.

TUINBOUWSTRAAT: vooraleer er huizen werden gebouwd was er een groentenkwekerij langsheen het straatje.

VERBINDINGSSTRAAT:, een naam die voor zichzelf spreekt: de verbinding vormende tussen de Schoolstraat en de rijksweg.

WEVERSTRAAT: herinnerde aan de vele textielarbeiders in de eertijds bloeiende nijverheidsinstellingen binnen de gemeente.

ZANDSTRAAT, een weg die leidt naar magere kouters of landerijen.

TUINWIJK S.A.W.: In 1947 besloot het beheer van S.A. de Waerschot, zijnde de fabriek van ‘t Hoeksken, ten behoeve van de meest behoeftigen onder haar werknemers op Oostmoer een eigen tuinwijk op te richten met noodwoningen, waarvan de aaneengesloten bebouwing in de vorm van een vierkant en slechts toegankelijk via een monumentale inrijpoort de indruk gaf een kamp te zijn. Waardoor deze wijk bij de bevolking enkel bekend stond als “Büchenwald. Toch was deze tuinwijk voor vele opeenvolgenden een oplossing en dienstig gedurende méér dan drie decennia, waarna hij verloederde en gesloopt werd tengevolge de gemeentelijke verkaveling Hoekje-Oostmoer.

GASTELSTRAAT omwille van de richting naar deze wijdse velden. Hier werd teruggegrepen naar het toponiem of plaatsnaam, sinds 1350 gekend als het germaans Gastelevelt, zijnde de betekenis van bosjes op hogere grond langs waterloop of moeras” concreet genomen de grond nabij de moerassige streek der Lievemeersen.

Vooraleer de bijdragen over de straatnamen te besluiten met de naamgevingen gedurende de jongste decennia, in het kader der vernieuwde huisvestigingspolitiek en het decreet ter zake van 1977, kunnen nog enkele resterende individuele namen belicht worden.

De bewoners der huizen in ARISDONKSTRAATJE behoorden in de loop der tijden nu eens bij de Oostmoer, dan weer bij Arisdonk. Tot er een komaf van gemaakt werd en een zelfstandige straatbenaming gegeven werd aan dàt gedeelte van die laatstgenoemde wijk, vanaf het Brakeleitje. De betekenis is dan ook duidelijk; het straatje naar Arisdonk.

’t HAND: zo genoemd naar het destijds wegwijzerteken - een ijzeren hand die de weg aanduidde - op de Eeklose Gentweg te Daasdonk.

KAPELLESTRAAT: de vroegere “Kloosterdreve” naar de priorij. De kapel aan het begin van de straat (Hoekje) samen met nog twee veldkapellen verderop zijn de reden der huidige benaming.

KLEINE BOVENMEERS: Ingevolge een verkaveling, gepaard gaande met een wegverharding en nieuwbouw achteraan de Bovenmeers, werd een eigen benaming en huisnummering noodzakelijk geacht; en gezien de beperkte bouwmogelijkheid was een passende benaming vlug gevonden.

VENNEGOEDSTRAAT (naar de aldus genoemde boerderij in de buurt): patroniem naar de naam van een eigenaar van het goed in de 14de eeuw: het goed behoorde toen immers aan Jan van de Venne.

SPORTSTRAAT: slaat uiteraard op de omgeving met de sporthal en bijhorende sportaccommodaties. Tot zover de reeds lang bestaande straten, op de laatstgenoemde na. De jongste straatnamen zijn het gevolg van verkavelingen, zowel private als op sociaal vlak uitgaande van de Maatschappij voor Huisvestiging als ingevolge een gemeentelijk initiatief.

De woonwijk tussen Oostmoer en Hoekje werd voleindigd en bewoonbaar vanaf 1983. Aan de onderscheidende straten werden de namen BERKENSTRAAT, POPULIERENSTRAAT, WILGENSTRAAT en OLMENSTRAAT gegeven, omdat in het eerste gedeelte van deze sociale verkaveling reeds de Lindestraat bestond. Analoog daarmee vond de gemeenteraad dat bomennamen derhalve passend waren. Een bepaald lid ging zelfs zover akkoord te gaan met het voorstel, op voorwaarde dat die bomen er zouden gepland worden. Wat evenwel achteraf voor uitvoering onmogelijk werd geacht: in dergelijke omgeving is het niet wenselijk hoogstammige bomen te planten.

Aangezien in de verkaveling van het “BPA-centrum” twee straten uitmonden op hoven met veel groen, met vogelgezang tot gevolg, werden er de namen MERELSTRAAT en VINKENSTRAAT aan gegeven.

Tot besluit van de bijdrage reeks over straatnamen weze vermeld dat de gemeentebesturen niet meer zo vrij zijn als weleer om naar willekeur straatnamen te bepalen. Het decreet terzake van 28 januari 1977 bepaalt o.a. dat bij voorkeur gegevens moeten geput worden uit de plaatselijke geschiedenis, het kunst- en cultuurleven, de toponomie en de volkskunde. Tevens moet voorafgaandelijk advies gevraagd worden aan de koninklijke commissie via het provinciebestuur en de gemeentelijke cultuurraad.

Het was de aanvang van een nieuw soort straatbenamingen, met als eerste ZEVENBUNDERS (toponiem of plaatsnaam van een destijds perceel aldaar, de oppervlakte ervan weergevende) voor de private verkaveling tussen de rijksweg en Berg. Een bunder is een oude landmaat, en terwijl het voor onze streek de “gentse bunder” betrof met een oppervlakte van 1ha 33a 67ca, kon de grootte van het perceel bepaald worden op om en bij de 9ha 35a, wat zeer groot kan genoemd worden voor die tijd, en vermoedelijk deel uitmaakte van de Jaspaertstede, die een boogscheut hogerop gevestigd was, naar de Kere toe.

De private verkaveling aan de overkant van de rijksweg, naar de Kerkstraat toe, heeft dan ook als enige benaming JASPAERTSTEDE, toponiem door afleiding van een persoonsnaam, in de betekenis van “woning, in huidig geval hofstede of boerderij van Jaspaert en de zijnen”.

Waar eens de textielfabriek Lejour-Vande Capelle stond (opgericht in 1886 en gesloten in 1981) verwezenlijkte de gemeente andermaal een eigen verkaveling met vier nieuwe straatnamen tot gevolg: LEJOURSTRAAT ter herinnering aan de gesloopte fabriek; VICTOR DE CRAENESTRAAT ter nagedachtenis aan deze sociaal voelende persoon (1841-1911), medestichter van de Congregatie der HH. Engelen en stichter der turnkring “Jong maar moedig”; GULDELAND, toponiem van land destijds toebehorende aan de O.L.Vrouwgilde in de 15de eeuw; NOTENDONK, toponiem (1485) van een opduikend strook grond, begroeid met notenstruiken.

Ook voor de gemeentelijke verkaveling tussen Oostmoer en Hoekje werd naar een rurale of landelijke benamingen gestreefd om het agrarisch verleden van de aangekochte gronden te behouden. Als het meest passende van de opgezochte toponiemen ter plaatse werd HOGEBILK weerhouden, in de betekenis van “hogergelegen weiland”. En alhoewel niet bestaande, werd als tegenhanger voor de tweede straat de naam LAGEBILK aangenomen.

Als laatste in de reeks der namen van de Waarschootse (bewoonde) straten is de KRAKEELHOEK, plaatsnaam voor land waarvoor vermoedelijk eertijds een betwisting plaats had.

Hubert Reyniers, ere-gemeenteontvanger Waarschoot