geschiedenis en ontstaan van Waarschoot

Waarschoot ontstaan

Oorsprong naam
Waarschoot als dorpsnaam wordt voor de eerste keer vermeld in 1244. Hij is de eerste van een reeks eenvormige Germaanse benamingen, kenmerkend voor het Meetjesland en het Land van Waas.

"Germ. wado-f" wacht, hoede" + skauta - m "beboste hoek zandgrond uitspringend in moerassig terrein" is een prachtig voorbeeld van deze schoot, smal uitstekend boven een moerassige omgeving.

Het huidige complex van Stationsstraat, Kerkstraat en Schoolstraat tot de "Keer van der straten" losgemaakt van de ontwrichting ontstaan door het aanleggen van de spoorweg (1860) en door het rechttrekken van de rijksweg Gent-Eeklo-Brugge in 1936, bevestigen tenvolle deze betekenisverklaring. Het is trouwens op het raakpunt van deze dubbele gaffelvormige schoot dat later de kerk van Waarschoot zal opgericht worden en meteen de dorpskern ontstond.

Langsheen deze schoten lag inderdaad een moerassig gebied: de Gastel (1253: Gastele), tot vlak bij de dorpskom. Het werd slechts in de tweede helft van de 19de eeuw volledig ontsloten. Volgens dr. Gysseling gaat Gastele terug, met heel vroege verkorting van ai tot a, op gaist "strook hogere grond langs waterloop of moeras" (eerste lid) en ele: verzwakking van lo uit lau "bosje op hogere zandgrond, open plek in zo een bosje" (cfr. Ronsele). De topografische ligging past hier uitstekend als gelegen nabij de moerassige streek van de Lievemeersen.

Overigens was de gehele dorpskern van Waarschoot, zowel oostelijk als westelijk ingesloten door een aanzienlijk moergebied.

Het westelijk gedeelte, in de bronnen: de moer van Waarschoot (1253: le muer de Warscote) later de Westmoer genoemd, nu het Leen, was nog tot diep in de Middeleeuwen een ontoegankelijk gebied, behuisd door wolven en ander ongedierte. Door tijdgenoten werd het gehele gebied betiteld als "De Wilde Moer".

Het was een niet nauwkeurig afgebakend grensgebied met Oostwinkel en Eeklo, en zou, gezien zijn afgelegenheid en ontoegankelijkheid, een grensgebied blijven tussen de kasselrijen van de Oudburg en het Brugse Vrije, tussen de latere bisdommen Gent en Brugge.

Het oostelijk gedeelte, de Oostmoer vormde eveneens een grensgebied met Sleidinge en Lembeke (1339: an den Oestmour). Op de oude kadasterplans en zelfs nog in de huidige configuratie op het terrein kan men nog duidelijk de cirkelvormige ontginning waarnemen.

Langsheen de Zoutweg, die door de Oostmoer liep, had de watergraaf aan de omwonenden cijnsstroken afgestaan, waaruit in 1307 turf ontgonnen werd. Het dorp Waarschoot lag dus geprangd binnen een omvangrijk moergebied, totaal geïsoleerd van de omliggende parochies. Zowel met Eeklo, Lembeke, Sleidinge, Oostwinkel, Zomergem en Lovendegem waren directe verbindingswegen in de Middeleeuwen onbestaande.

Ontstaansgeschiedenis
Waarschoot ligt in de Vlaamse Vallei die gedurende de laatste ijstijd, zowat 120.000 jaar geleden, opgevuld werd met quartair dekzand. De eerste menselijke sporen dateren uit de periode 10.000-7.000 vóór Christus. Waarschoot zelf is ontstaan op een gaffelvormige schoot, een beboste hoek zand uitspringend boven een moerassige omgeving. Op die schoot ontstond de dorpskern en op het centrale punt bouwde men later de kerk. Voor de rest lag Waarschoot totaal ingesloten door grote moerasgebieden en bossen: in het Westen aansluitend bij Eeklo (de Westmoer, het latere Leen) en in het oosten de Oostmoer (nog steeds bestaande straat- en wijknaam). Eén derde van het grondgebied bleef de gehele Middeleeuwen door overdekt met bossen, wat meebracht dat de eerste dorpsgemeenschap zeer geïsoleerd was van de omringende dorpen.

De uitgestrekte bossen en wildernissen waren een gunstige verblijfplaats voor het wild en vormden een uiterst geschikt jachtterrein voor de graven van Vlaanderen.

De eerste nederzettingen waren aanvankelijk bewaarplaatsen voor het vee, binnen een open plek van het bosgebied, aan de rand van de moerassen, heiden en wildernissen. Er ontstonden verbindingswegen met de moederparochie Zomergem.

Wanneer er reeds talrijke gezinnen Waarschoot bewoonden, op zo'n grote afstand van de moederparochie Zomergem en van de moederkerk, hadden die mensen een eigen bedehuis nodig. Dat zal een eerste kapel geweest zijn - door de grootgrondbezitter opgericht, aan een verre uitloper van zijn goed - waarschijnlijk op de plaats waar nu de kerk staat. Ten jare 1243 reeds was de bevolking zodanig aangegroeid dat Walter van Marvis, bisschop te Doornik, de parochie zelfstandig maakte en de grenzen ervan afbakende zodat de afhankelijkheid op geestelijk gebied van Zomergem ophield. Ook de landsgravin zorgde voor een wereldlijk bestuur. Ze schonk de landskeure in 1248, vernieuwd door de aartshertogen Albrecht en Isabella in 1612.

De mensen in Waarschoot verdienden hun brood met landbouw, veeteelt, boskweek en weverij. Houthakken en huisweefnijverheid waren eeuwenlang de gewone bezigheid voor een groot deel van de bevolking, terwijl anderen de grond bewerkten of turf staken in de moeren. Belangrijke hoeven waren zeker in de 13de eeuw reeds in volle uitbating. Maar het bouwland was nog niet zo uitgebreid: men bezat nog vele bunders bos, broek en heide, om er de schapen, de zwijnen en de ganzen in te laten lopen.

Vanaf de dertiende eeuw kwam de ontginning volop op gang, wat resulteerde in de eerste vermeldingen van een aantal grote hoeven, zoals het Goed te Breebroek, het Goed ten Brakel (beide op de Stuiver) en het Vennegoed (dichtbij het huidige station).

Ook kwam er ontsluiting via het aanleggen van twee bevaarbare waterlopen: de Lieve in het zuiden en de Burggravenstroom in het noorden, die beide een verbinding vormden met Gent. In 1252 kreeg Gent een toelating een kanaal te laten graven: de Lieve. Hiertoe werd zoveel mogelijk de bedding van de oude waterlopen gebruikt. De Lieve bracht natuurlijk verkeer en beweging in het dorp. Wanneer de Brugse handel bloeide werd dit water druk bevaren en nog in 1770 brachten kleine vrachtschepen wekelijks passagiers en marktgoederen naar Gent. In 1790 was de Lieve reeds totaal onbevaarbaar geworden.

Een volgende belangrijke mijlpaal in de Waarschootse geschiedenis was de oprichting van een cisterciënzer-priorij. In 1444 kreeg Simon Utenhove, Gents poorter en baljuw van Eeklo, de toelating van de bisschop van Doornik om met eigen middelen een kloostergemeenschap op te richten op de afgelegen gronden van het toenmalige Jagerpad. Na de inwijding van de kapel in 1448 begonnen een handvol monniken met het uitbaten en ontginnen van de uitgestrekte bos- en moerasgronden ten noorden van de abdij. Het is de priorij echter nooit voor de wind gegaan. In het begin waren er aanslepende conflicten met de nabije "concurrerende" parochie, en in de loop van de 16de eeuw werd zij door doortrekkende Franse troepen tweemaal in de as gelegd. De heropbouw verliep moeizaam, en in 1662 vestigde de kloostergemeenschap zich definitief in Gent en verpachtte de eigendommen aan de plaatselijke landbouwers.

De 16de en de 17de eeuw waren trouwens in het algemeen voor Waarschoot vrij donkere jaren. Er waren in eerste instantie de godsdiensttroebelen, die o.a. leidden tot de verwoesting van de parochiekerk in 1580, en in 1683 werd Waarschoot door Franse troepen bij wijze van militaire executie volledig in brand gestoken.

Pas in de wat rustiger 18de eeuw zien we de bevolking stijgen van 3000 naar meer dan 5000 zielen in 1795. De agrarische sector was toen nog wel de belangrijkste, maar om te overleven gingen zich steeds meer arme gezinnen zich toeleggen op de huisweverij: op het einde van de 18de eeuw leefden 440 gezinnen uitsluitend van de lijnwaadweverij. Die kan dan ook gezien worden als de voorloper van de latere textielindustrie want in de loop van de 19de eeuw werd zij volledig vervangen door de mechanische katoenweverij. Een verdere industrialisering van deze textielnijverheid bracht ook de oplossing voor de grote voedselcrisis van 1845-1848 die ook in Waarschoot hevig woedde. Meer dan de helft van de actieve bevolking was aangewezen op noodhulp.

Nadien vertoont het welvaartspeil echter een gestage groei, met een toename van de alfabetisering van de bevolking, een uitbreiding van de textielindustrie en een uitbouw van de dienstensector. Na de Tweede Wereldoorlog ontwikkelde Waarschoot zich tot een semi-industriële gemeente, die op de top van haar economische bloei meer dan 3000 mensen tewerkstelde.

Geraadpleegde werken:

Waarschoot vandaag

Ondanks de semi-industrialisering en de ontsluiting via twee belangrijke verkeersaders (de spoorweg Gent-Eeklo en de N9 die Waarschoot doormidden snijdt) heeft deze gemeente toch haar landelijk karakter bewaard, dankzij de groene gordel rond de vrij uitgebreide dorpskern. Alhoewel de landbouwers in aantal sterk afgenomen zijn, bewerken zij nog steeds een groot deel van de open ruimte rond Waarschoot. Vooral het noorden van de gemeente is wat betreft natuurschoon nog van een uitzonderlijke waarde, met de Kwade Bossen als uitloper van het Lembeekse bosbestand. Ten westen vormt Het Leen met de aanpalende landbouwgronden een groene buffer tegen het verstedelijkte Eeklo. Tussenin ligt het gebied dat vroeger werd geëxploiteerd door de priorij en nog enkele mooie restanten bevat van de vroegere bos- en moerasgordel die pas in de loop van de 19de eeuw beetje bij beetje door de landbouw ingenomen werd. In het zuiden is het jaagpad langs de gesaneerde Lieve vervangen door een comfortabel fietspad, waarvan vele recreanten gretig gebruik maken om het hele traject te bewandelen of af te fietsen van Stoktevijver tot Lovendegem-Bierstal.

De druk van het groeiend inwonersaantal (ongeveer 8000) werd opgevangen door een aantal nieuwe woonwijken te plannen binnen de open ruimten van de dorpskern, die nu echter toch geleidelijk dreigt volgebouwd te worden. De teloorgang van de textielindustrie in het bijzonder, en de economische crisis in het algemeen, hebben er voor gezorgd dat er vanuit deze hoek geen verdere druk gekomen is op de open ruimte. Toch is er nu sprake van een nieuwe ambachtelijke zone in de Kapellestraat. Die zou wel belastend kunnen zijn voor de natuurgordel in het noorden. De vleeswarenfabriek Ter Beke en enkele kleine KMO’s zorgen voor een belangrijke plaatselijke werkgelegenheid. Toch pendelt een belangrijk deel van de bevolking voor werk naar de Gentse kanaalzone of andere industriegebieden. Aldus is Waarschoot sterk geëvolueerd naar een leef- en woongemeenschap, met een sterk uitgebreid sociaal-cultureel leven.

Geraadpleegde werken: Van den Bossche, Paul in "Streekgids Meetjesland, maart 1998, pp.67-70")